Je moet dit lezen, zei collega Ike toen ze me dit boek uitleende, morgen al. Het minste wat ik kon doen was uitstel, want ik heb moeite met bevelen. Maar er zit ook iets onweerstaanbaars in een bevel. Je uitstel blijkt gaandeweg je alibi om aan het bevel te gehoorzamen. En ook, zeker, om wat ongetwijfeld bedoeld was als uitdrukking van verlangen of nieuwsgierigheid, op te vatten als bevel en het daarmee verdacht te maken. Zo kon ik mezelf verontschuldigen, een hobby die ik graag uitoefen en ook wel - geef ik toe - nodig heb, kennelijk.
Aan mijn baas op school had ik een keer gezegd dat ik niet graag initiatieven neem, en liever uitvoer wat een ander heeft bepaald (bij hem is het precies omgekeerd). Later noemde hij me een brave man. Klopt, braaf zoals mijn vader, de salarisadministrateur bij de mijn en collectant in de kerk. Misschien lag hier een basis voor herkenning, want misschien, bedacht ik, had Ike ook ergens zo'n levensgevoel, als dochter - meen ik - van een schoolhoofd. Je wil graag laten zien dat je het goed doet, en daarmee blijf je ook voortdurend twijfels genereren. Nooit, of hooguit momenteel, bereiken we de toestand dat we dronken zijn zonder te hebben gedronken. We zoeken bevestiging van degene tegen wie we weerstand bieden.
Dit soort paradoxen verwacht ik ook terug te vinden in het boek dat Ike me opdroeg, Medusa in de spiegel van classica Jacqueline Klooster. Je gebruikt die spiegel om bevestiging te vinden, over iets waarover je nog niet genoeg twijfelde. En zelfs als je weet dat je verandert in steen kun je het niet laten om te kijken. Een mogelijke strategie is in zo'n geval om het boek ongelezen te laten, en het schrijven van een blog als deze is dan een list. Ik doe alsof ik het wel heb gelezen, maar red mezelf door te schrijven. Ik vind iets van het boek in plaats van het te ondergaan.
Iets van deze strategie vond ik terug bij mijn held James Joyce. over wie ik eergisteren mijn vorige blog schreef (zie hier). Ik las de biografie van Richard Ellmann, en ontdekte hoe Joyce bevestiging zocht bij zijn moeder, meer nog dan bij zijn vader. Dat had er zeker mee te maken dat hij van zijn vader al bevestiging kreeg. Hij was de oudste zoon in een kinderrijk gezin, en al vroeg bleek dat hij ook de meest begaafde was. Ook in Joyce zit iets van die dynamiek dat je via de bevestiging de twijfel zoekt. Hij verzette zich met name tegen de godsdienst en kwetste daarmee zijn moeder, zelfs toen ze op sterven lag. Zo groot was zijn vertrouwen dat zijn moeder van hem kon houden, onvoorwaardelijk is dan het minimum, anders is het geen echte liefde.
De uitdaging van het boek van Klooster zou kunnen zijn dat we dit enorme vertrouwen in de kracht van vrouwen, hun liefde, trouw, en allerlei praktische kwaliteiten, moeten ontmaskeren als een list, een mannelijke list om vrouwen gevangen te houden. Zo bezien is het geen toeval dat Joyce uitkwam bij Odysseus, de man van vele listen. Hij keerde dan wel terug naar zijn vrouw, maar kon zich onderweg ook lange tijd vergeten bij Calypso, met spannende ontmoetingen bovendien met Circe en Nausicaä. De Odysseus van Joyce, advertentieverkoper Leopold Bloom, laat zijn vrouw dromen over mannen, in de veilige wetenschap dat ze hem trouw blijft. De fantasie, hoe avantgardistisch ook toongezet, blijft stevig ingekaderd.
Ik heb tot nu toe de zak met het Medusahoofd nog even dichtgelaten, maar kan het nu niet laten er een voorzichtige glimp in te werpen. Ik sla aan het lezen, zie allerlei bekende literatuurtheorieën langskomen, Cixous, Beauvoir, Barthes. Ik versnel mijn pas en ga diagonaal lezen. Is dat een teken van weerstand, wil ik zo snel mogelijk doorschakelen naar mijn blog, mijn bewijs dat ik aan de zo dringende opdracht voldaan heb? Of wil ik met mijn leessnelheid de urgentie van die opdracht voor mezelf bevestigen? Ik ken mijn gewoonte, kantiaans zou je die kunnen noemen, om in snel tempo eerst het hele terrein te verkennen, waarna ik meer rust heb om op de materie in te zoomen. Voor een blog is dan een detail vaak voldoende. Mijn leessnelheid is dan eigenlijk onderdeel van wat je eerder als traagheid moet zien, het vertrouwen dat ik over oneindige tijd beschik om alles open te laten, op alles zo nodig terug te komen.
In eerdere blogs heb ik bovendien geëxperimenteerd, vooral uit ongeduld, om over een boek te schrijven terwijl ik het nog lang niet uit had. Zo wordt mijn schrijven echt een lees-ervaring, een experiment dat ervaring was, een experientia. Dat is in wezen ook een manier om je af te schermen, om de zak dicht te laten en in leven te blijven. Na je blog kun je de rest van het boek onbekommerd lezen, als iets dat 'speciaal voor mij' is, en niet een spiegel voor de ander.
Ook als ik hiervoor kies blijft de vraag hoe ik ongeschonden uit deze netelige situatie kan komen, als lezer en man bovendien. Ik identificeer me soms graag met Jason, die van de onrechtmatige koning Pelias de opdracht kreeg om bij de Zwarte Zee het Gulden Vlies bij een afschuwelijke draak te gaan halen. Die opdracht was zeker bedoeld om van Jason af te komen, maar Jason aanvaardde de opdracht, wellicht ook uit zelfvertrouwen. Toch is het in onze context niet zonder betekenis dat hij uiteindelijk de hulp van een vrouw nodig had om de opdracht uit te voeren, van Medea dus, een van de heldinnen die bij Klooster steeds terugkeert. En we kennen die Jason uiteraard ook van de tragedie van Euripides, waar hij toch wel de klootzak is die Medea in de situatie brengt waarmee hij het onheil over zichzelf afroept. Met andere woorden, je kunt nog zoveel zelfvertrouwen hebben, je kent de prijs niet die je uiteindelijk moet betalen voor je succes.
Hoewel Jason best vaak genoemd staat in het boek van Klooster, gaat haar aandacht uit naar Medea. Klooster zet vraagtekens bij de moderne neiging om de mythes te herschrijven vanuit vrouwelijk perspectief, vaak op zo'n manier dat de vrouwen begrijpelijker worden, en in dat opzicht ook betere mensen. Klooster eist het recht op slechtheid op voor vrouwen. Daarmee verontschuldigt ze de bijna uitsluitend mannelijke schrijvers van de oudheid. Goed, Medea vermoordde haar kinderen. Maar daarnaast deed ze ook een hoop andere dingen, zoals de draak verslaan. En Heracles doodde ook zijn kinderen, maar dat is meestal niet het eerste waar we aan denken bij hem. Tot zo ver de manier waarop Klooster leest.
Maar ik zit hier met een ander probleem. Mij wordt niet gevraagd - door Ike - het boek van Klooster te lezen, maar wat ik ervan vind. Ik ben geneigd dit op te vatten als een oordeel. Ik moet een oordeel geven. Daar heb ik het moeilijk mee. Ook het oordeel is een kantiaans probleem, dat in alle scherpte terugkeert bij filosofe Hannah Arendt. Via een essay van Klooster ontdekte ik een aan Arendt verwante visie van Simone Weil op de Ilias (zie deze blog). Met je zuivere verstand beland je uiteindelijk in tegenspraken, aldus Kant. Maar daarnaast moet je ook handelen in deze wereld, en bevelen gehoorzamen, met name bevelen die je aan jezelf geeft. En het probleem van het kwaad in de wereld vraagt om een urgentiebesef dat zijn steun vindt in het geloof en in het esthetische oordeel. Wat vinden we van iets? Vinden we het oké dat Homerus onze aandacht richt op die heldendaden waarbij zoveel onschuldige doden vallen? Vinden we het oké dat vrouwen door mannen worden onderdrukt?
Zo bezien is de vraag van Ike aan mij niet raar, integendeel. Ik word geconfronteerd met mijn reserve tegen oordelen, en was onder de indruk van de visie van filosoof Agamben, die zich op dit punt tegen Arendt keert (zie hier). Oordelen is een vorm van kritiek, dat komt van het Griekse krino, oordelen, rechtspreken, beslissen. Het is verwant met het Sanskriete karman en het Latijnse crimen. Hoe ingewikkeld deze kwestie is, kun je alleen al aflezen aan mijn neiging om de bedenkingen van Agamben meteen ook op te vatten als kritiek op de door hem overigens bewonderde Arendt. Bevestig je de kritiek niet juist wanneer je die bekritiseert? Demonstreer je daarmee niet de onontkoombaarheid van de kritiek?
Zo heb ik mezelf in een hoek gewerkt, de hoek van de tegenspraken waarmee ik aan de andere kant ook weer vertrouwd ben. Mijn gebaar is dat van de lezer en de filosoof die zegt: beste Ike, ik houd niet van oordelen, ik lees graag boeken. Mijn blogs zijn geen recensie, je moet het meer zien als verwerkingen of verlengstukken, extensies van mijn leeservaring. Met het probleem in dit geval - geef ik toe - dat ik nog nauwelijks gelezen heb ik het boek van Klooster.
Misschien hoop ik dat ik iets schrijf dat ik zal moeten herzien. Een hypothese die wordt ontkracht als ik eenmaal ga lezen, zodat dat lezen echt een ervaring wordt. Mijn hypothese zou zijn dat classici zoals Klooster graag willen dat we de klassieke teksten blijven lezen en waarderen. Daarom moeten ze worden verdedigd tegen aanvallen of misverstanden. Laat ik eens voorzichtig in die zak van Perseus kijken, op het gevaar af dat mijn lezen versteend raakt, tot een oordeel, een mannelijk oordeel. Ik lees op de laatste bladzijde van Klooster twee dingen. Het eerste is dat mythen te eenzijdig worden opgevat als oorsprongsverhalen, terwijl ze evengoed bezig zijn met heden en toekomst, met vorming, vervorming, waarschuwing. Mythes belichamen geloof in een rechtvaardige toekomst.
Daarnaast zijn mythes (tweede punt) spiegels. Ze vertellen ons wie we zijn, zelfs als ze ook vaak 'provocerend onjuiste of oneerlijke beschrijvingen van vrouwen als Medea, Clythaemnestra, Medusa en Antigone' zijn (p.268-69). Mag ik dit zo opvatten dat ze hebben bijgedragen aan de verstening van mannen en vrouwen in de machtsverhoudingen die nog steeds gaande zijn? En dat we daarom dat kritische denken nodig hebben om die verstenende kracht teniet te doen?
De verrassing waarnaar ik op zoek ben is misschien gelegen in dat woordje 'bergen': 'Hun teksten blijken zoveel mogelijke interpretaties in zich te bergen dat nieuwe lezers en nieuwe schrijvers er al eeuwen mee vooruit kunnen.' (p.269) Dit woordje 'bergen' frappeert me. Ik associeer het met vrouwen en vrouwelijkheid. Vrouwen beschikken over een (fysieke en/of geestelijke) baarmoeder, of een hart, op een andere manier dan mannen. Misschien zijn mythes dus vrouwen, ze bergen allerlei mogelijkheden in zich, naar het lijkt zelfs onbeperkt, en dat is misschien wat wij vooral in die mythes zoeken.
Hier zou ik een verband kunnen leggen met chora van Plato, het 'ontvangstoord' (zie ook hier), maar het is een beetje verdacht als mannen over zoiets beginnen. Het lijkt dan een nieuwe list om vrouwen gevangen te houden. Terwijl, wat ik het liefste wil, is me uitleveren aan een kracht die zoveel mogelijkheden in zich bergt. Iets daarvan vond ik geformuleerd bij Ellmann als hij schrijft over Joyce: 'As he exerted total control over his books, Joyce dreamed of agonizing self-abandonment to female power.' (p.576) Die agonie neemt liefst komische vormen aan, dat is ook mijn favoriete manier om me al verzettend aan die female power over te leveren.
