Complement voor Harry

Het voelt riskant om te zeggen dat je iets weet. Zeg liever dat je niets weet. En als je dan toch iets weet, gebruik dan de dubbele ontkenning: ik ben niet onwetend van het feit dat... Toevallig weet ik (weet ik? nou ja...) dat dit in de oudheid gebruikt werd als stijlfiguur, de litotes. Mijn leerboeken zeggen me dat de litotes werd gebruikt om het tegendeel te benadrukken. Tja, daar zitten we dan weer met ons risicomijdend gedrag. Nu weten we niet alleen meer over onze onbedoelde bedoelingen, ook over stijl, oudheid en irritante nederigheid.

Mijn vader zei het al, bescheidenheid is de wens om tweemaal geprezen te worden, voor datgene waarover je bescheiden bent en voor je bescheidenheid. Zo werd mijn moeder met haar bescheidenheid bedoeld of onbedoeld haar plaats gewezen.

Telkens als ik een boekje van ex-collega doctor Harry Kuster lees ben ik onder de indruk van zijn kennis en zijn stijlbeheersing. Nu zet hij er ook al Latijnse citaten zonder vertaling bij en voel ik me een beetje trots dat ik dat kan lezen. De indruk ontstaat weer dat Harry de boekjes speciaal voor mij schrijft. Het zijn codes die ik moet zien te kraken en Harry geeft me de indruk dat hij - met zijn leraarskwaliteiten - vertrouwen in me heeft.

Eerst dacht ik nog dat Harry speciaal leraren en filosofen opzoekt om te bespreken. In zijn nieuwste boekje bespreekt hij een middeleeuwse monnik die vaak huilde, Gundulf, bisschop van Rochester. Hij was goed bevriend met filosoof Anselmus over wie Harry zijn vorige boekje schreef (zie eventueel mijn blog). Je kunt beide boekjes lezen als een tweeluik. Anselmus spreekt, Gundulf luistert. Anselmus brengt in beweging, Gundulf huilt. En Anselmus is daar weer een beetje geïrriteerd over. En: Anselmus plant, Gundulf geeft water.

Harry speelt diverse rollen. Hij vertaalt de hagiografie, hij interpreteert, vertelt de voorgeschiedenis, haalt Freud erbij en polemiseert met Spinoza. Het register dat hij bespeelt is in al deze gevallen de wetenschap, in die speciale combinatie van de geschiedwetenschap: deels exact, deels vertellend, deels normatief. Harry's toonzetting is ietwat plechtstatig. Het is alsof Anselmus tegen me spreekt, een reactie bij me uitlokt waarmee ik hem tot een beetje irritatie moet brengen.

Het is een soort theater, niet alleen van Gundulf en Harry, maar ook van mij. Ik probeer mezelf neer te zetten in dat theater. De code zou inhouden dat ik mijn rol moet zien te ontdekken.

Vandaar dat ik een beetje op gevoel aansloot bij een formulering in het boekje die me trof, 'non nescius', niet onwetend. Zo omschrijft Willem van Malmesbury de verhouding van Gundulf tot de letteren, 'litterarum non nescius' (Kuster p.24). Harry laat het onmiddellijk volgen door 'een geleerde was hij niet'. Mijn oog valt, zoekend naar een positieve betekenis, ook op de zinnen ervoor: 'Met zijn [van Anselmus of van Gundulf?] scherpe onderscheidingsvermogen koos Anselmus hem tot spirituele metgezel. Verder kende Gundulf persoonlijk veel geleerden van zijn dagen, maar, zoals Willem van Malmesbury vaststelt: "litterarum non nescius", een geleerde was hij niet.' (p.24) Gundulf had allerlei kwaliteiten, maar dus niet die van een geleerde. Het is alsof de complementaire verhouding tussen Anselmus en Gundulf te mooi is om te verstoren. Alsjeblieft geen intellectueel gesprek tussen beide vrienden.

Het 'non nescius' behoudt in dit geval zijn raadselachtigheid. Geen litotes in de antieke zin, geen benadrukking van het tegengestelde. Misschien wetend, een beetje wetend in een ander opzicht, het weten van de spiritualiteit, maar dat maak ik niet op uit Harry's uitleg. Wel spiritueel, maar niet als geleerde, dus niet vergelijkbaar met Anselmus of Thomas. 

Harry zelf is duidelijk wel wetenschapper, qua vraagstelling, uitwerking, bronvermelding etcetera. Maar hij is duidelijk geïnteresseerd in dat huilen, in de affecten. Doet hij dat om in tweede instantie alsnog tot een wetenschappelijke visie op het huilen te komen? Wetenschap van het affect als weg tot de wetenschap? Dan zou je misschien een uitgebreidere vraagstelling en uitwerking verwachten. Een veelbelovender aanknopingspunt geeft me de achterflap (ongetwijfeld door Harry zelf geschreven), waarin Harry's zoektocht draait om de keuzes van Gundulf:

Niet het verhaal dat hij vertelde, een theorie die hij verkondigde of de invloed die hij uitoefende, waren voor Gundulf het belangrijkst, maar de keuzes die hij maakte op zijn tocht door het labyrinth van emoties dat dit leven kenmerkt.'

Labyrint, de emoties vormen samen een labyrint, niet alleen door hem zijn weg te wijzen, maar ook door hem in de weg te zitten. Met zijn keuzes vond Gundulf zijn weg door het labyrint en zo kun je zeggen dat het huilen hem dichter bij God bracht, want elders legt Harry uit dat zelfkennis in die tijd werd ontdekt als weg naar God. Zo heeft Harry ook zelf voldoende basis om zijn kennis van de psychologie in te schakelen om te begrijpen hoe de affecten functioneren in deze opgang. De psychologie leert ons hoe de menselijke natuur in elkaar steekt, en zo kan Gods genade alsnog worden begrepen als aanvulling, complement. De complementaire verhouding is het ideale beeld van God, God die wezenlijk genadig is.

Waar bij Augustinus, Anselmus en Thomas, en later ook bij Spinoza, kennis de affecten niet in de weg lijkt te zitten, lijkt dat bij Gundulf anders te liggen. Je hoeft geen geleerde te zijn om al huilend je weg naar God te vinden. Sterker nog, Gundulfs huilen toont hem zijn eigen, individuele weg naar God. Het lijkt of het huilen zelf al de kennis bevat die hij nodig heeft om de juiste keuzes te maken. Maar niet op de wijze van Spinoza, bij wie droefheid gedefinieerd wordt als overdenking van het eigen onvermogen en breideling van het vermogen tot handelen. Zo ontstaat er alsnog een wetenschappelijk gesprek, en wel tussen Harry en Spinoza. Gundulf laat met zijn huilen zien dat het zijn vermogen tot handelen juist inspireert, en daarom heeft Spinoza ongelijk.

Misschien zit er dus toch, alsnog, iets van de oude litotes in de tranen van Gundulf. 'Niet onwetend' moeten we opvatten als extra wetend, kennis bevattend die in de rationalistische filosofie van Spinoza verkeerd begrepen wordt. Ik moet denken aan een eerdere leeservaring, de tranen van Nietzsche van Yalom (zie blog), waar het eveneens ging om de tranen, en om hun zichtbaarheid. Toch theater dus, theater van de individuele, integere, gezuiverde persoon.

Deze weg is voor mij wel extra moeilijk om verschillende redenen, met name omdat tranen bij mij vooral samengaan met onvermogen. Ik moet er een paar alinea's aan wijden om via zelfonderzoek mijn rol te kunnen innemen als lezer van Harry.

In mijn therapie bij mijn depressie zo'n dertien jaar geleden werd ik door mijn therapeute bij mijn emoties gebracht, met name verdriet en boosheid. Ik moest mijn intellectuele reflexen achterwege laten, die ook al opspeelden doordat ik in die tijd colleges aan ouderen gaf over de filosofie van Nussbaum en het tragische levensgevoel. Ik wilde de benadering van mijn therapeute overdenken, maar het denken zat me juist in de weg. Daarnaast lukte het me te weinig om boos en verdrietig te worden. Zodoende faalde ik in de weg van de emoties, en heb ik mijn falen moeten leren zien als mijn weg om de depressie te overwinnen. Ik lees Harry's boekje als opening van een niet-intellectuele weg, maar juist de emotionele weg bleef voor mij onbegaanbaar.

Denkend over complementariteit bleef ik vertrouwen houden in de oude complementariteit tussen tragedie en komedie. Het lijkt alsof de weg van het komische bij Harry geblokkeerd is geraakt. Behoudens de steeds opduikende verwijzing naar Reve zie ik de blokkade het scherpst bij de leefregel van Benedictus. Stap 10 in Harry's weergave: 'De dwaas breekt in schallend gelach uit.' (p.52) Daar hadden de Franciscanen geen moeite mee, want in de ogen van God zijn we allen dwazen, of misschien moet je zeggen: 'non nescii' in de geheimzinnige draai die Harry eraan geeft.

Langs deze weg kunnen we ook Benedictus inpassen. Ik denk aan Herman Finkers die 's ochtends opstaat en zegt: 'Wat heb ik zin om mijn vrouw eens lekker bij de boezem te pakken!' Dan denkt hij aan Benedictus die hem maant zijn eerste gedachte aan God te wijden en herpakt hij zich: 'Mijn God, wat heb ik zin om mijn vrouw eens lekker bij de boezem te pakken!' Zo ziet hij de hand van God ook in de mooie boezem van zijn vrouw, al moet hij er wel bij zeggen dat hij dit niet godslasterlijk bedoelt.

Dat beeld van de complementariteit is dus zo gek nog niet (waarom zouden vrouwen anders twee borsten hebben, en waarom mannen plattere). Hier opent zich de mogelijkheid om mijn plaats in te nemen in het theater van Harry. Hij schrijft, ik lees. En waar Harry als lezer van mijn blogs zwijgt, of een compliment uitdeelt (het compliment als complement) ga ik als lezer met Harry's teksten op de loop. Ik probeer uit of ik erom kan lachen, niet omdat ik hem niet respecteer, maar om het raadsel in stand te laten of te herstellen, het non nescius.

PS

Op mijn uitdrukkelijke vraag of non nescius met Harry's raadselachtige uitleg wel echt raadselachtig is, koos Harry voor het niet-raadsel. In het middeleeuws Latijn, mailt hij me, heeft de litotes zijn betekenis van benadrukking van het tegendeel verloren en lijkt hij meer op onze dubbele ontkenning. Er is geen raadsel, zegt Harry. Hoewel hij deze uitleg alleen aan mij mailde, voel ik me vrij om hem hier met u te delen. Mijn gezag daartoe ontleen ik aan mijn status van complement. Ik was het raadsel, Harry de oplossing.

 


Anton stuurt me een boek van Sokolov

Een boek van Anton voor Anton, dat moet wel speciaal voor mij zijn. Of dus speciaal voor ons. De andere Anton kwam er niet doorheen maar wist vrij zeker dat het wel iets voor mij was. En zo bezorgde de postbode me dit boek, School voor zotten van Sasja Sokolov (Sovjet-Unie 1976, opnieuw vertaald en verschenen in 2022).

Steeds wanneer ik iets over dit boek zeg realiseer ik me dat er ook iets over in dit boek staat. Zo gaat het in het boek over een postbode die komt aanfietsen, sowieso over fietsen, zodat het lijkt of het boek niet geschreven is door een Sovjet-Rus maar door een Nederlander, of de vertaler eigenlijk de schrijver is, of alle personen zich voortdurend verdubbelen. De ik-persoon zegt soms ik, soms wij, hij is schizofreen en hoort alleen al daarom thuis in de school voor zotten.

De neiging is groot om het dan ook maar meteen te lezen als een politiek boek. Werden niet alle dwarse personen destijds opgesloten in een gesticht? Zo kunnen we Sokolov in onze armen sluiten, hij is een van ons, hij is ongetwijfeld tegen Poetin en Poetin tegen hem, en zo leert de achterflap ons dat School voor zotten zich laat lezen als 'metafoor voor het leven in de Sovjet-Unie, of Poetins Rusland, waar outsiders en dissidenten in psychiatrische inrichtingen of kampen worden opgesloten.'

Zoals gezegd, steeds wanneer er iets over dit boek wordt gezegd krijg ik de neiging om te kijken wat er daarover in het boek zelf wordt gezegd. Het boek gaat niet alleen over helden, het gaat over 'ons allemaal', waarbij je dat ook weer op allerlei manieren kunt duiden, aangezien de hoofdpersoon, een leerling van het speciaal onderwijs, ook vaak in de wij-vorm spreekt, en je het boek dus alsnog als een ego-document kunt lezen, zodat het in feite niets met onszelf te maken hoeft te hebben.

Die uitweg heb ik niet, aangezien Anton mij heeft gezegd dat dit boek iets voor Anton is, ook al kwam hijzelf er niet doorheen. Ik moest dus wel doorlezen.

Aan alle kanten werd ik geholpen, dat moet gezegd. De recensies zeggen dat je zeker vijftien bladzijden nodig hebt om erin te komen, want die bestaan voor een groot deel uit een delirium dat je ook weer kunt duiden als stream of consciousness zoals het laatste hoofdstuk van Joyce's Ulysses. School voor zotten zou je dan weer kunnen duiden als een goed geschreven delirium waarmee je je diploma haalt om toegelaten te worden tot de literaire kringen in het Westen. Ik heb begrepen dat de schrijver in 1975 asiel kreeg in Oostenrijk, al was dat niet per se vanwege zijn boek maar vanwege een hongerstaking van zijn Oostenrijkse vriendin. Maar ook ik in mijn geval had een vrouw nodig, de vrouw die me de toelichting van Anton doorgaf en me het boek stuurde.

Ik kan met dit boek alle kanten op, maar laad daarmee de verdenking op me dat ik het van me af wil zetten. Maar ach, die kant zit ook in me, ik ben ook die andere Anton die het boek wegschuift en er anderen mee opzadelt. Ik zou me dus ook in een stroom van associaties kunnen storten, minder briljant geschreven dan Sokolov zou doen, maar wel met het effect dat ik me niet hoef te verantwoorden voor de lezer, de lezer zodoende alleen latend met zijn oordeel of zijn niet-oordeel, zijn onverschilligheid, hem een uitweg biedend zoals vaker in mijn blogs, na enkele alinea's, een plek om uit te stappen. Bijvoorbeeld hier.

Ik wil maar zeggen: dit boek nodigt me niet alleen uit om uit te stappen, maar wellicht op dezelfde manier, op dezelfde plaats, ook weer in te stappen. Zoals gezegd: steeds wanneer er iets over het boek wordt gezegd, krijg ik de neiging om te kijken wat er in het boek zelf over wordt gezegd. Een van mijn helpers is de Russische schrijver Maxim Osipov, die een helpvol nawoord heeft geschreven. Ik wed dat heel wat lezers zoals ikzelf al ver voor het einde zijn gesprongen naar dat nawoord dat dan dus geen nawoord meer is.

Anton heeft dat ook gedaan als ik me niet vergis, want er staan een paar zinnen in ons boek onderstreept:

Want alles in het leven staat op losse schroeven, alles weerspiegelt zich en valt uiteen, en er is maar één feit dat als een paal boven water staat: dat we op een dag allemaal zullen sterven. Want "onze medische wetenschap mag dan geen zak voorstellen, maar wat dit aangaat hebben ze het altijd bij het rechte eind, dat kan niet missen, een diagnose waar geen speld tussen valt te krijgen: ik ben dood - zei u - heel vervelend."  (p.231)

Over Osipov hebben we het eerder gehad, de cardioloog-schrijver die waarschijnlijk goed weet waar hij het over heeft bij die medische wetenschap, en inmiddels ook wat het betekent om een briljante Russische schrijver te zijn die naar het Westen is uitgeweken. Maar precies deze schrijver ziet in dit boek dat het juist allemaal niet bekend is, want alles staat op losse schroeven.

Nu spreekt het mij ook aan dat juist Anton deze zinnen heeft onderstreept. Zou hij dan toch de essentie van dit boek hebben begrepen, ook al kwam hij er niet doorheen? Ik sluit dat zeker niet uit. Lijdend aan een vorm van kanker weet hij maar al te goed wat het is, beter dan ik, om met die diagnose te leven.

In het boek wordt die uitspraak over de wetenschap en de dood door de hoofdpersoon geciteerd als afkomstig van zijn mentor, de leraar aardrijkskunde Saulus die zich aan de wetenschap wijdde en als dode gewoon doorgaat met spreken tot de hoofdpersoon: 'ik ben dood, heel vervelend.' (p.227)

Voor ik nu ga zeggen dat het erg belangrijk is dat je een mentor hebt die zo met je begaan is dat hij zelfs na zijn dood nog tegen je blijft praten, moeten we toch even het accent leggen op die combinatie van zekerheid en onzekerheid. Nog onlangs zei een vriend dat ik een boek over Wittgenstein toch echt moest lezen met in mijn achterhoofd diens psychologisch moeilijke verleden. Zo moet je dus altijd oppassen met die medisch diagnosten, zeker als ze iets tegen je zeggen in de Sovjet-Unie van de jaren zeventig, maar ook als ze je gewoon iets willen leren.

Een andere optie is dat we het boek lezen als de opgewonden fantasieën van een puber, die  verliefd is op de dertigjarige biologielerares en van zijn mentor wil weten hoe het is om het met een vrouw te doen. De mentor herinnert zich van alles van zijn verleden daden met vrouwen, maar juist niet de emoties en de daad zelf, alleen de zichtbare details, wat voor kleren ze droegen etcetera. Tja, daar heeft onze verteller weinig aan, al gaat hij zijn waarnemingen wel in het centrum van zijn boek zetten als hij eenmaal gaat schrijven. Zo kun je rustig aannemen dat zijn mentor een voorbeeld voor hem was, niet alleen om te zien wat belangrijk is in je leven en je verleden, maar ook in zijn houding jegens het systeem. De leraar neemt ontslag nadat hij iets heeft gedaan wat volgens het systeem niet door de beugel kon, en uit een parabel leert de verteller dat je niet met dat systeem moet heulen.

Koren op de molen van de Nederlandse lezers en slavologen die altijd al wisten hoe erg dat systeem was. In het boek had Anton een paar krantenknipsels bijgevoegd met een NRC-recensie door de grote Michel Krielaars. Deze start zijn recensie van 22 juli 2022 met een herinnering aan Joep Lange, die hij oppervlakkig kende en naar wie onlangs een brug in Amsterdam genoemd is. Later vernam hij dat Lange een aidsdeskundige was die omkwam bij de aanslag op de MH17. Met andere woorden, wij sluiten Sokolov in ons hart omdat hij tegen het systeem was, hoewel we natuurlijk ook zijn briljante stijl bewonderen.

Een moeilijkere nuance bij zo'n zwartwitdenken blijkt misschien precies uit diezelfde parabel. Het gaat over een timmerman die allerlei klusjes opknapt en ineens de opdracht krijgt een kruis te timmeren en een verlopen bedelaar erop vast te spijkeren. Die bedelaar spreekt hem toe en houdt hem voor dat hijzelf ook een timmerman was die ooit de opdracht kreeg om iemand aan een kruis te spijkeren. De ene timmerman en de andere zijn een en dezelfde persoon, als je de ander aan het kruis nagelt kruisig je jezelf. Krielaars herinnert ons dus terecht aan die parabel, als je heult met het systeem heb je uiteindelijk jezelf. Mijn nuance houdt in dat het precies daardoor extra moeilijk wordt om je nog tegen dat systeem te keren, want daar zitten mensen zoals jij en voor je het weet krijg je mede dankzij die parabel teveel begrip voor Poetin cum suis.

Daar staat weer tegenover dat die parabel altijd wordt bezorgd door een postbode, of in dit geval door een mentor met de naam Saulus. Saulus was toch die man die volgens Handelingen de christenen vervolgde en onderweg door een stem uit de hemel werd toegesproken, met blindheid geslagen en veranderde in een volgeling van Jezus, waarbij zijn naam lichtjes werd veranderd in Paulus, de geringe?

Zo opent zich weer de mogelijkheid om de postbode en Saulus in elkaar te schuiven en door te dringen tot de parabels die in essentie neerkomen op het brengen van het Koninkrijk Gods. Die parabels kun je nauwelijks interpreteren, zo gauw je ze interpreteert zit er weer een andere kant aan het verhaal. De gekruisigde is niet alleen een waarschuwing tegen het systeem en een oproep tot broederschap, maar ook de gezalfde die door God is opgewekt uit de dood, althans volgens Paulus. De laatste lezers stappen nu misschien uit deze blog zoals ze uit het boek van Sokolov zouden stappen, het boek is vanuit mijn bijbelse perspectief bijna even onvolgbaar als de Bijbel zelf.

Nog even volhouden voor degenen die blijven doorlezen. Speciaal voor mij, de titel zegt het al, eindigt met slechts een lezer, of in dit geval misschien twee, beide met de naam Anton.

Welnu, Osipov wijst in zijn nawoord op de betekenis van de motto's voor in de roman. Zo had ik Osipov zelf ook gelezen, en geconcludeerd dat hij iets met de Bijbel had, of in elk geval met het boek Job. Lees maar na via deze link. De Handelingen staan bij Sokolov uiteraard geciteerd, maar ook Edgar Allen Poe, en daar gaat Osipov op in. Bij Poe loopt het verhaal anders af dan bij Sokolov. Daar vermoordt de hoofdpersoon zijn dubbelganger, bij Sokolov lopen ze na alle geruzie in de laatste zin samen vrolijk babbelend over straat. Moet je nu concluderen dat Poe's verhalen verlopen met suspense en die van Sokolov niet? Nee, dat zou je toch ook anders kunnen zien, misschien is Poe wel een dubbelganger van Sokolov en kunnen we ook zijn eigen roman duiden volgens een plot met suspense en dramatische ontknoping. Laten we het erop houden dat het een coming-of-age roman is, waarbij de hoofdpersoon als levende of dode weer terugkeert naar de datsja waar hij zijn jeugd herbeleeft en nu eindelijk de ruimte ervaart om zijn liefde voor de biologielerares te herbeleven, uitlopend op dat happy end.

Van hieruit zou ik links kunnen leggen naar de roman van Leon de Winter over onze Sokolov, naar mijn Diotima-complex (zie bijvoorbeeld deze blog) of naar mijn relatie met vrouwen die ouder zijn dan ikzelf. Maar ik heb me verplicht tot mijn dubbelganger die me dit boek heeft gestuurd.

Toevallig weet ik dat Anton opgevoed is door Hollandse ouders in Limburg, en dat zijn vader een bakkerij leidde. Hij moet hebben geweten wat het is om een zaak te leiden en om te worden opgevoed door een leider. Opgroeien is in deze situatie altijd riskant, zeker als je ontdekt dat je niet wil heulen met het systeem. Anton is altijd eigenzinnig gebleven, soms op het irritante af, maar precies in die eigenzinnigheid voel ik me met hem verwant. Toen Anton zei dat een boek echt iets voor mij was geloofde ik hem op zijn woord.

Lezen is een vorm van muziek, zoals Osipov in zijn nawoord uitlegt, en zeker ook dit boek. Goede muziek gaat altijd ergens over, en dan laat Osipov als het ware de hoofdpersoon zelf aan het woord, die in een woordenstroom van alles opsomt wat ook draait om metamorfoses. Een mens kan niet onmiddellijk en volledig verdwijnen, eerst verandert hij in iets anders, bijvoorbeeld een wals. Muziek staat symbool voor die metamorfose. Osipov had ook nog kunnen wijzen op de accordeon van de verteller waarmee hij een barcarole gaat spelen bij de uitvaart van zijn oma. Zo maakt hij via de muziek contact met zijn oma, vooral als hij onderweg is naar de uitvaart en weer van alles ziet en meemaakt. Nog voor hij een noot heeft gespeeld horen we de muziek al, het muzikale proza, en zo kunnen we ook volhouden dat die verteller Anton is, die het boek niet heeft uitgelezen maar op zijn manier wel begrepen.

Anton is in staat om zich in te leven in mij, misschien wel beter dan ik in mezelf. Hij weet wat goed voor me is, in die zin is hij mijn mentor. Hij heeft zoveel boeken gelezen dat ik alleen maar mag hopen op meer, en sinds kort dus ook op de boeken die hij niet heeft gelezen.

Collapse review - could the Soviet Union have been saved? - Reaction




Friet met ketchup in Milaan - L'ultima notte di Amore (film)

Ik werk om te leven, en niet andersom. Daarom ook heeft de vakantie een speciale betekenis voor mij. Hier heb ik voor gewerkt. Het is dus van het grootste belang om te niksen en me te vervelen. De wielerkoersen heb ik opgezet en half gevolgd. De sport heeft zich sowieso verdubbeld omdat er nu veel meer vrouwensport wordt uitgezonden. Je kunt zien dat ze daarboven (Hilversum) echt rekening met mij houden, speciaal voor mij.

Het is niet te voorkomen dat de dagen toch weer worden gevuld, een beetje, met afspraken. Alles is er speciaal voor mij, maar er is dus wel degelijk de druk om eruit te halen wat erin zit. Gisteren had ik zo'n dag dat er veel gebeurde. Een kleine opsomming: dochter Frederiek landde in Keulen en was onderweg naar ons. Ik twijfelde al dagen of ik de Russische filosoof Solovjov ging lezen en ben dat gaan doen. Ik had het plannetje voor een blog in de serie Voortborduren en twijfelde of ik dat zou uitvoeren. Dat alles moest razendsnel, want om 9 uur moest ik de deur uit om met vriend Maarten naar Alkmaar te reizen. Daar moesten we de vaste onderdelen van ons ritueel uitvoeren. Een nieuwe stad bezoeken, lunchen, rondwandelen, film bekijken, kerk bezoeken, de toren beklimmen, boekhandels bezoeken, avondeten en weer terug. Thuis was Frederiek er, en heb ik met haar en Inez half zitten kijken naar het programma over de pianobroers Jussen. Geen gemiddelde vakantiedag, geloof me, maar wel een met veel stof tot geblog.

Laat ik me beperken tot de film, een keuze van Maarten, op advies weer van een van zijn vrienden, L'ultima notte di Amore van regisseur Andrea Di Stefano. Ik zeg toch maar 'speciaal voor mij', en wel hierom. De film gaat over inspecteur Amore die bijna met pensioen gaat en op de laatste avond ineens wordt weggeroepen naar een crime scene. Ik herken mezelf wel in de werkende man die toeleeft naar zijn pensioen, rustig uitdrijven en beetje afbouwen. Ook bij mij loopt nu ineens alles anders door de ziekte van mijn naaste collega. Ik ga hierover niet in details treden, althans niet rechtstreeks, door deze formule heb ik het gevoel dat niet ik het verhaal vertel, maar dat mij het verhaal wordt verteld, onder andere door die film over het werk vlak voor het eind waarin alles anders loopt. Speciaal voor mij.

Het geeft aanleiding tot gepeins over egoïsme (speciaal voor mij), hedonisme (genieten van mijn cadeaus), liefde (de verhouding tot de vrouwen om me heen), vriendschap (de afspraken), allemaal zaken die ik zeker ook kan bespreken aan de hand van die tekst van die al genoemde Russische filosoof. Voeg daarbij dan meteen ook maar de oorlog, want die is met die Russen nooit ver weg. Ik bedoel maar, alles is verweven, het een kun je moeilijk bespreken zonder het ander. Ook met geliefden, vrienden en collega's is het niet altijd harmonieus, al gooien we zelf geen bommen op ziekenhuizen.

De film zoomt in op een grote stad. Het is moeilijk te zien welke. Wel past hij voor mij meteen bij de films van Sorrentino over steden, La grande bellezza over Rome en È stata la mano di Dio over Napels. Die laatste begint met een lang shot vanaf de zee waar je een blik hebt op de stad, parallel langs de woningen aan de zee. Ook in L'ultima notte van Di Stefano een lang openingsshot van een Italiaanse stad. Nu van bovenaf, glijdend naar het centrum, en als je geen zee ziet, geen Colosseum en geen heuvels, krijg je langzaam door dat het Milaan moet zijn, zeker als je het station ziet. De film eindigt met een dramatische scène op het plein voor de Dom en bij de beroemde galerij met de dure kledingzaken. De stad vormt dus de inclusie of ringstructuur, de individuele wederwaardigheden van Franco Amore vinden plaats tegen een achtergrond die misschien meer is dan een achtergrond.

Van onder anderen schrijver Veronesi heb ik van alles geleerd over façades in de Italiaanse cultuur. (Lees bijvoorbeeld deze blog.) Je kunt daar kritiek op hebben, maar we gaan niet voor niets naar een film, een Italiaanse nog wel, dus we kunnen blijkbaar ook wel genieten van die façades. Dat glijdende openingsshot voert ons naar een gebouw met ramen waardoor we een feestje zien, maar geleidelijk blijkt dat de mensen op dat feestje ook hun gezicht in de plooi moeten houden, en de een is daar beter in dan de ander. Wij als kijkers genieten bovendien omdat we steeds beter in staat zijn door die façades heen te kijken, wij zijn de ontmaskeraars.

Misschien is de hoofdtegenstelling van de film wel die tussen de gezichten van de Italianen en die van de Chinezen. De Italianen, vooral Viviana, de vrouw van de inspecteur, zijn erg virtuoos in het razendsnel schakelen tussen angst, zorg, hebzucht, en enorm blij met het feestje. De Chinezen in de film zijn misdadigers die hun gezicht Aziatisch in de plooi houden. Indien nodig toveren ze een zeer vriendelijke glimlach tevoorschijn. Kortom, ze kijken precies zoals wij denken dat Chinezen altijd kijken. Op hun manier zijn ze dus bedreven in façades. Die tegenstelling is een niveautje dieper geen echte tegenstelling omdat ze eerder verwijst naar wat de oude bewoners van Milaan delen met de nieuwkomers, de beheersing van hun gezichtsuitdrukking die past bij de architectuur en de stad.

Misschien identificeren we ons zozeer met inspecteur Amore dat we - min of meer in het spoor van Oedipous - moeten denken aan liefde, die ons eerder brengt bij transparantie dan bij verberging. De façades moeten het opnemen tegen de almachtige blik van de camera. Die had meteen zijn macht al getoond in dat openingsshot, alles is bij voorbaat al ingepakt in die grote stad en alles wordt bij voorbaat opengelegd door die camera. We kijken recht in het hart van de inspecteur, daarvoor hoef je zelf echt geen inspecteur te zijn, en onze identificatie met de inspecteur krijgt daardoor iets ridicuuls. Maar wie zijn wij dan, als we niet deze menselijke al te menselijke held zijn? Zijn we soms zijn vrouw, of wie weet zelfs die Chinezen? De camera kan zomaar alle kanten op zwenken, en we weten dat wij het zijn die de camera in zekere zin besturen. Wij zijn het die naar deze film waren gekomen, die zo van Italië houden etcetera, wij zijn al die geruststellende clichés die ineens iets anders kunnen zijn.

Mijn formule 'speciaal voor mij' draait nu om tot een parodie. Wie is die adressant van de film, wie heeft hem naar mij gestuurd, naar 'mij'? Ik zoek houvast in mijn herinnering. Met Inez en de nog kleine kinderen ging ik op vakantie naar de Italiaanse Riviera, via vliegveld Bergamo met de bus naar Milaan, daar overnachten en daarna verder met de trein. Het kaartje klopte niet helemaal. Ik stond met de kleine Frederiek in een gloeiend hete stationshal, anderhalf uur in de rij. Toen kwamen we bij een piepklein loketraampje met een oude vrouw erachter die alleen Italiaans sprak. Ze kon ons echt niet helpen. We gingen daarna maar gewoon pizza eten, en verbaasden ons erover dat de zaak gerund werd door Chinezen. Bij de frieten voor de kinderen kregen we Heinz ketchup, volgens het verpakkinkje afkomstig uit Elst, zeg maar thuis.

Zo ongeveer moeten die Chinezen zich gevoeld hebben toen ze kwamen wonen in Milaan. Ze moesten niet alleen kennismaken met de façades, ook met de kleine dingetjes erachter, de ontoegankelijkheden, de herkenningspunten en aansluiten met wat ze gemeenschappelijk hadden. Misschien bieden die Chinezen ons een nieuwe kans om contact te leggen met die Italianen, die van daar en de Italianen in onszelf. Nadat Scorsese dat voor elkaar kreeg via de Amerikanen, kunnen we nu de camera al een beetje zwenken naar de Italiaanse Chinezen, de migranten die ze willen weren maar o zo hard nodig hebben.

China haalt inwoners terug uit Italië wegens coronavirus – Wel.nl

Op de godin van de vriendschap dan maar!

Van buiten gezien is niets mooier dan jongeren in bloei. Ik prijs mezelf dus gelukkig om met die jongeren te mogen werken en vraag me soms af waar ik dat aan verdiend heb. Een effect van die omgang is dat ik terugdenk aan de tijd dat ik hun leeftijd had. Het was toen wel een heel andere tijd. Je kreeg van je leraar niets cadeau, laat staan dat je hem iets cadeau gaf.

Ik kwam mijn pianoleraar met zijn vrouw tegen, een jaar later. Ik was toen al van het conservatorium af en studeerde theologie. Het was echt een heel kort praatje. Ah, leuk voor jou, zei hij. Misschien vond hij het ook echt niet erg, want toen ik les van hem had was zijn favoriet een jongen van twee jaar ouder. Die ging helaas wel natuurkunde studeren, dat vond mijn pianoleraar wel heel erg.

Het is dus altijd van belang wat je leraren van je vinden, en van de dingen die je doet. In de schooltijd drukken die leraren dat uit met hun cijfers, en daarna zit je in je studie. De basisformule is dus afstand. Je communiceert eigenlijk niet echt.

Van ons supertalent Mai Thy kreeg ik bij de diplomauitreiking een paar romans cadeau. Een met de titel The last of the wine. Bij de oude Grieken gooide je altijd een beetje wijn overboord, als gift aan de goden. Ook mengde je de wijn met water. Het laatste van de wijn is dus iets bijzonders, echt iets voor jezelf. Hoofdpersoon Alexias beleeft een intense vriendschap met de oudere minnaar Lysis. Het lijkt allemaal heel afstandelijk, ze zoenen alleen op de mond, en Alexias wil alleen maar dat zijn minnaar gelukkig wordt. Dan gooit Lysis het laatste van de wijn in een kom: 'Dit is voor mijn Alexias'. Daarna drinken ze allebei 'op de Goede Godin' puur water. Het is dus voor de goden dat we onze relaties koesteren.

Lysis trouwt met een vrouw (heel gewoon bij die oude homosexuele Grieken), maar die vrouw stimuleert de verhouding tussen Lysis en Alexias. Daardoor is deze roman niet alleen een coming of age maar ook de biografie van een vriendschap en een soort sleutelroman. Schrijfster Mary Renault woonde altijd samen met een vrouw, maar maakt vrouwen in haar romans zelden hoofdpersoon. Daardoor weet ze de aandacht van de lezer te richten op de off scene, iets wat nog verpakt is in ons woord obsceen, maar van de gangbare betekenis van het obscene eerder het tegendeel is. Aan de rand van de scène vinden we juist de dingen die ons vaak wel bekend zijn: Alcibiades, de Peloponnesische oorlog, het optreden van Socrates en het proces van de democraten tegen hem. Dat zou je heel goed obsceen kunnen noemen, maar dan eerder in een morele zin, de dingen die volledig fout en destructief zijn. Het is de achtergrond waartegen Lysis en Alexias hun vriendschap ontplooien.

Dat verklaart mede waarom deze roman je aandacht vasthoudt, maar ook waarom je steeds moeite moet doen om door te lezen. Ik ben inmiddels evengoed als de jeugd van tegenwoordig verpest door mijn mobiel, maar ook nog eens door zo gauw mogelijk te schrijven, citaatje hier citaatje daar plukkend. Gewoon lezen, van kaft tot kaft, gaat me soms moeilijk af. Maar ook hier zit weer iets adequaats in met de zaak waarom het gaat. De Atheners van de vijfde eeuw voor Christus wisten vaak niet waar ze aan toe waren. Vader moest ineens meevechten in de oorlog, de Spartanen konden elk moment opduiken, er treden mensen op van wie ze niet wisten wat wij al weten: generaal Alcibiades loopt over naar de vijand, Plato de worstelaar wordt een bekend filosoof, Kritias speelt een kwalijke politieke rol als de oorlog tegen Sparta verloren is, de democraten zullen Socrates executeren.

Ook Mai Thy houdt van doorzetten. Misschien wel haar grootste talent is om te voorkomen dat haar talent haar lui of arrogant maakt. Zelfs als ze een opdracht van mij kreeg om een moderne roman te lezen die verband houdt met de oude Grieken vroeg ze nog of ze de roman mocht gebruiken die ze toevallig toch al aan het lezen was. Nu ging ze er blindelings vanuit dat ik de andere romans van Renault al gelezen had, daarom kreeg ik deze, The last of the wine. Doorzetten, oefenen, je best doen om een nederlaag te verwerken (tweede worden in een landelijke wedstrijd), dat betekent vooral uitdagingen aangaan die je niet automatisch tot een goed einde brengt. Daarover gaat ook deze roman, de lichamelijke training die Alexias verricht, en die hem ook door Socrates wordt geadviseerd, terwijl het toch om de geest gaat.

Ik zit met weer andere uitdagingen. In deze serie Speciaal voor mij past het om in te gaan op cadeaus die ik krijg. Ik moet oppassen dat ik die cadeaus niet als opdracht beschouw, en mijn blogs als een toets dat ik het cadeau weet te waarderen. Ik ben hier nu eenmaal de leraar. Ook moet ik afstand houden tot mijn werk en mijn leerlingen, mijn werk is niet het schrijven van blogs maar de stof behandelen en toetsen geven. Mijn blogs zijn dus off scene, ik schrijf ze alsof ik ze niet schrijf, ik schrijf omdat ik het niet kan laten, met het risico dat ik lijnen overschrijd.

Daarom trek ik hier dan toch maar een streep, mijn blog is het laatste van de wijn voor Mai Thy, en hierna drinken we op de Goede Godin onvermengd water.

het opgeheven vingertje | Woest & Vredig

Aken voor ons

Mijn vrienden en ik gaan graag naar een Duitse stad omdat je er makkelijk heen kunt. In Dortmund liepen we ooit de winkelstraat zes keer heen en weer en streken neer op terrassen. Er was ook de fanwinkel van Borussia. Nu dus Aken. Nu moet je weten dat we alle drie Limburger zijn, maar telkens weer anders. De een heeft ouders uit het Oosten, de ander weer uit het Westen en de derde uit het verre Noorden. Limburg is niet per se een plaats waar je vandaan komt, het is ook een plaats waar je naartoe gaat.

Aken is de stad waar ik vaak kwam en zelfs de laatste jaren nog was. Rob was er nog nooit geweest, en Pieter tussenin. Aken is voor ons Bindeglied tussen Limburg en de wereld. Er was zelfs een groot stedelijk hoefijzer gepland, als ontwerp tegenover de Randstad, lopend van Heerlen naar Aken, Luik en Maastricht. Het kwam er niet van, ze bleven liever dorpen daar, kleine kernen met wegstromende jongeren. Aken ligt voor Limburgers om de hoek en geeft je weer het idee van een stad en zelfs van oude rijken met hun drama's.

Speciaal voor mij krijgt nu de kleur dat Aken de vertrouwde stad om de hoek was, altijd al geweest. Bindeglied ook, toen ik er boeken kocht van Sartre en Heidegger. Het was een opwindende gedachte als je bij De Locht de grens over fietste dat dit land grensde aan het IJzeren Gordijn, je was ineens deel van de grote geschiedenis.

Nu komt daar Karel de Grote bij, die met zijn schrijn in de Dom Bindeglied is met het Romeinse Rijk, op weer andere wijze dan de termen in Heerlen. Het schijnt dat Karel vanuit Aken graag op jacht ging naar het Caumerdal. Hij zag zichzelf als nieuwe Romeinse keizer. Maar niet altijd. Toen hij in Rome was om daar orde op zaken te stellen zou hij door paus Leo worden gekroond. Maar voor Karel hoefde dat niet. Hij was zelfs aversatus van dit vooruitzicht volgens biograaf Einhard. Het ging om de mishandelde Paus (tong uitgetrokken) en om God.

Vroeger ging ik bijna nooit naar de Dom. Nu is het voor mij zo'n beetje het centrum, het gevoel van een centrum dat gesymboliseerd wordt door een werkelijk centrum. De kerk is gebouwd als octagoon. In de narthex staat het beeld van een wolvin of berin dat volgens de nieuwste gegevens Grieks is en uit de derde eeuw voor Christus. Karel heeft nog meer uit het Zuiden laten komen, hij was zich er goed van bewust dat hij Bindeglied was in een bijzondere tijd en op een bijzondere plaats.

In de buurt vind je allerlei oude en nieuwe dingen waarbij je kunt staan peinzen. De beroemde Elisenbrunnen natuurlijk. Er lag nu een soort vest dat een ding of mens helemaal omknoopte. Als je bleef kijken zag je het bewegen. De volgende ochtend zagen we er een vrouw uit kruipen. Met andere woorden: ook deze vrouw was Bindeglied, ze symboliseerde de daklozen, de aarde, de slang, de metamorfose, wat al niet.

Het kunstmuseum is op wandelafstand richting Oost. We zakten er weg in de designbanken van de installatie van Henrike Naumann. Ze groeide op tussen de rechtse jeugd in Oost-Duitsland waar ze van deze meubels droomden, en vanwaar je uitzicht had op het tv-scherm dat je verbond met de wereld, de leugens en de waarheid. Het was echt een liberale droom gezien vanuit een 'illiberaal leven'. Die ruimte betreden we steeds meer sinds onze liberale levens in verval zijn.

Uit onszelf zouden we niet op de banken hebben plaatsgenomen. De suppoosten moedigden ons aan. Er was verder bijna niemand, de banken waren er speciaal voor ons, het illiberale leven was even een voorrecht.

Je kunt je druk maken om zo weinig belangstelling, maar we hadden een paar uur eerder de priester in de Dom horen preken over de zaaier die uitging om te zaaien. Het zaad wordt opgepikt door de vogels (dat verklaart ook wel wat), het viel op de rotsen (het liberale leven) en in de tuin van de priester. Die had het zaad rondgegooid, maar er kwam niets tot bloei. Ja, pas heel laat kon hij blij zijn met die ene hazelnootstruik waar eekhoorns lol aan beleefden. Bij de oogst kun je ook denken aan graan, dat nog verstopt zit in de oude naam Aquisgrana.

Het schijnt dat het rijk van Karel onder zijn zoons al snel uiteenviel. Er kwamen later weer nieuwe keizerrijken die het langer volhielden (Habsburgers) en nu hebben we de EU. Het is moeilijk te zeggen of Brussel een goed centrum is, er is ook nog Straatsburg en nu heb je het Oosten erbij. Hoe dan ook, voor ons is er Aken en dat voelt als voorrecht.



Mission Impossible

Artificial intelligence heb ik eigenlijk nooit erg boeiend gevonden. Het leek me dus ook een hele uitdaging om er een spektakelfilm over te maken, zoals de nieuwste Mission impossible met Tom Cruise. En daarom dus ook weer speciaal iets voor mij. Gelukkig is er al een persoon die op mijn blogje erover zit te wachten, mijn dochter Noraly (alweer bijna 25) met wie ik graag voor een actiefilm naar de bioscoop ga.

Kortom, een film over AI is de werkelijke mission impossible. De recensie in de Volkskrant legde goed uit dat de bedenkers het hadden opgelost door Tom extra veel te laten rennen en extra gevaarlijke stunts te laten uithalen. Dank je wel, Bor Beekman! Nu heb ik de sleutel die ik hier nog even kan inzetten om de code van deze film te kraken.

Sleutel in dubbele zin, want een personage zei in de film: 'De sleutel tot de wereldmacht is in dit geval ook een sleutel.' Er was een Entiteit in werking en werkelijk alle partijen hadden er belang bij om die te bemachtigen, om hem voor hun karretje te spannen, om hem uit te schakelen, beide ook weer eventueel in het algemeen belang.

De sleutel bleek een symbool, de manier bij oude beschavingen om de zender en ontvanger van boodschappen toegang te geven tot de boodschap, zeg maar als wachtwoord. Zender en ontvanger hadden beide slechts de helft van een gebroken object. Als ze op elkaar passen betekent het dat beide partijen elkaar hebben gevonden. Symbool komt van het Griekse sun-ballein, samenvallen. Alleen, als het symbool een sleutel is, of in deze film twee delen van een sleutel, dan moet je ook nog te weten komen waar die sleutel op past. De toegang tot de informatie is dus driedelig.

In de film Angels and Demons wordt deze materie deels anders behandeld. Tom Hanks (professor Langdon) beschikt over veel kennis van symbolen, en de vraag wordt dan hoe je die kennis kunt inschakelen om hem toe te passen op de raadsels, en dus ook hoe je het probleem in de film zo kunt neerzetten dat Langdon zelf de ene helft van het symbool wordt en de misdaad de andere, dus hoe ze naadloos op elkaar passen.

Zo maakten we mee dat een leerling ons vertelde dat ze graag criminologie wilde studeren. Op excursie in Rome zagen we dat precies deze leerling voor onze neus werd beroofd van haar tas. Ze is ook werkelijk criminologie gaan studeren geloof ik, in combinatie met rechten. Daarmee wil ik twee dingen zeggen. Ten eerste dat de logica van de film zich kan uitbreiden naar de werkelijk ervaren werkelijkheid buiten de film, of als symbool daarop kan passen (vroeger zagen ze de waarheid als uitspraken die 'adequaat' waren aan de dingen). Ten tweede dat, als symbolendeskundige Tom Hanks in Rome belandt, er wellicht iets aan Rome is wat goed bij hem past, en dat de andere Tom de tweede helft van de sleutel is.

Daarmee wil ik ook zeggen dat een zekere krankzinnige logica ook een manier kan zijn om AI aantrekkelijk te maken. Nee, het is geen ingewikkelde berekening, het is een algoritme. Nee, het is geen algoritme maar een hermetische code in onze fantasie. Die ook echt bestaat, dat wil zeggen die zich van de film zomaar kan uitbreiden over onze werkelijkheid.

Rome duikt dan vroeg of laat op, omdat het onze echte werkelijkheid is. Je hebt er de Sint Pieter, genoemd naar de sleuteldrager van de hemel, dus geen toeval dat Tom Hanks er terechtkomt. En je hebt er het Colosseum, waar ooit het beeld van de blote Nero naast stond van veertig meter hoog, de colossus. De colossus staat er allang niet meer, maar wel een grasperk met een boom op een verhoging die de plaats en omtrekken aangeeft van dat beeld. Alle oude ruïnes met hoog werkelijkheidskarakter draaien samen met de helden, schurken en agenten met hun crashende auto's en schietpartijen om een Persoon die onzichtbaar is, een ding dat onzichtbaar is. Dat is AI in deze film, de Entiteit, die kan mensen en dingen onzichtbaar maken, zelfs voor onze intelligente apparaten.

We zijn dan weer aangewezen op onze herinneringen. Tom Cruise moet even graven in zijn geheugen en herinnert zich een schurk van vroeger die hij achteraf gezien beter had kunnen doden, Gabriel geheten, toevallig ook de naam van de engel-boodschapper der goden.

De scène verplaatst naar Venetië, party time. De personages komen bijeen voor een vertrouwd aandoende in scène gezette afrekening door de schurk. Boven de disco, te zien door het open dak, schieten lichten het heelal in, om de Entiteit te symboliseren. Alles is bepaald en doorzien. Nergens lijkt het zinlozer om maskers te dragen maar eenmaal ontsnapt van deze plek duiken de maskers weer op.

Een bepaalde combinatie van maskers en komedie droeg ook de vorige films van Mission Impossible. Handig, want dat dwingt de makers om de karakters dun te houden. Voor de anderen moet deze persoon met masker wel herkenbaar blijven, dus mag er niet teveel karakter doorheen komen. Filosoof Agamben, niet toevallig ook woonachtig in Venetië, bestudeerde Pulcinella, karakter van de commedia dell' arte, precies voor die samenhang met dat karakter. Pulcinella, zegt Agamben, imiteert zijn karakter, zoals in essentie elk personage in de oude komedies. Daarmee maakt hij duidelijk dat hij geen karakter heeft, dat hij het niet is. Dat moeten we weer niet zien als uitvlakking van de mens en opslokking in de AI. Het stelt ons open voor het leven zoals het geleefd wordt. In dat leven gaat niet alles volgens jouw karakter. Ook met doorzettingsvermogen moet je soms je meerdere erkennen in de schurk en word je gered door het toeval.

Plaatsen dus met werkelijkheidskarakter, plaatsen die ons met onze fantasieën erover moeten redden van de dreiging van AI.

De film is onuitputtelijk voor iemand die van symbolen houdt. Dit is maar een blogje. Ik ben tot mijn verrassing uitgekomen bij het werkelijkheidskarakter van de plaats, van de stad, Rome en Venetië. Ik had ook een van de talloze andere middelen kunnen kiezen. Tom Cruise die liefst alle stunts zelf doet, niet alleen omwille van het werkelijkheidsgehalte maar ook voor ons, speciaal voor ons.

Speciaal voor mij was dat we ons in Utrecht bevonden, de stad waar ik twintig jaar heb gewoond en waar Noraly geboren is. Ik was er een paar uur eerder om naar het museum te gaan, met landschappen van de Nederlandse schilders die naar Rome waren gegaan. En ik ging naar broodje Mario, het laatste ding waarom ik nog steeds heimwee had naar Utrecht (ik woon alweer bijna twintig jaar in Arnhem). Toen ik wilde pinnen zei de Italiaan dat ze alleen contant geld aannamen. Het symbool van de misdaad. Bescherming tegen AI? Niet echt, want ik had geen euro's op zak en moest dus naar de pinautomaat. Misdaad, Rome en AI hadden elkaar gevonden, hier in Utrecht via mij.

Colossus of Nero - Colosseum

Vooruitgeduwd door de dansers en strijkers van Qi

Bij een cadeau vindt altijd iets van verwisseling plaats, en misschien moeten we zelfs zeggen: verraad. Je doet geen recht aan het gegevene en gaat ermee aan de haal. Eerst probeerde ik me nog in te houden. Anton, zei ik tegen mezelf, niet zo dwangmatig! Je hoeft echt niet over elk cadeau te schrijven dat je krijgt! Denk aan de gever, die zit daar echt niet altijd op te wachten!

Maar toen ging ik dus naar de dansvoorstelling Qi, van choreograaf Ruben Chi, mij geschonken door Inez voor mijn verjaardag. Ik verwachtte iets met electronica en hiphop, maar had de beschrijving oppervlakkig gelezen. Er zaten twee dansers in lotuszit op minizuilen en links op het podium stond een gong. Een derde danser sloeg op de gong. Er was veel stilte en zen, en ik dacht net als tien jaar geleden, toen ik nog aan zen deed: nog een uur te gaan! Nee, niet aan denken, laat je gedachten passeren!

Langzaam kwamen de inmiddels vier dansers in beweging. Hun arm zwaaiend zodat ze een locomotief vormden. Interessant woord, locomotief, denk ik nu, iets met plaats en beweging. De dansers vormen een machine. Er klonken zachte strijkers bij.

Ze bewogen maar nooit had je de indruk dat ze de plaats verlieten. Het was dus een echte locomotief, beweging vanaf de plaats, op de plaats. Qi zal wel zoiets als levenskracht betekenen, maar je kunt hoogstwaarschijnlijk ook denken aan wie (Qui?), dus aan Ruben Chi, want als je dat op zijn Italiaans uitspreekt is het inderdaad Qi. De levenskracht of energie van Chi. Inez had op onze kalender ook niet Qi geschreven maar Chi.

Van rechts kwamen de strijkers na enige tijd uit de coulissen. Het was een strijkkwartet, een selectie van Phion, zoals het orkest van Gelderland en Overijssel tegenwoordig heet. Onbekende muziek, wellicht speciaal geschreven voor deze gelegenheid. Totdat ik ineens een romantische melodie van Massenet herkende, die ik als kind ooit op mijn electronisch orgel had gespeeld. Was het nu meer of juist minder zen? Meer, want diverse genres klonken achter elkaar en verdwenen ook weer.

De zuiltjes waren decorelementen maar ineens ook dingen waarmee werd geschoven. De trein kon zomaar uiteenbreken in vier kleine treintjes, met de strijkers op hun element en vooruitgeschoven door de dansers. Het werd een bootje waarop een danser begeleid door een strijker door een andere danser werd geduwd en afgezet bij de overkant.

Het ging allemaal naar een climax, qua volume en snelheid. Er was ook enig drama, een danser die werd opgesloten achter een hek. Er was representatie, zo leek het, de dansers waren een vrouw, een Aziaat, een zwarte man en een kale witte man met snor en baardje. Er was balans, de strijkers waren drie vrouwen en een man. Er was concerto, strijd, vier tegen vier, en er was harmonie, vier met vier.

Ik dacht vanwege het strijkkwartet en de genres aan Kronos, of misschien moet je Qronos zeggen, de god van de gouden tijd die zijn kinderen opat maar zich verslikte in Zeus, die zijn moeder had verwisseld voor een steen. Kronos het strijkkwartet was niet ver weg, het kwartet met de verschillende soorten muziek.

Ook bij de finale dacht ik aan het Oosten, het was natuurlijk Glass, Philip Glass, met zijn ritmische contrapunt en zijn gebroken akkoorden.

Het meest dacht ik nog aan verwisselingen, misschien moet ik zelfs zeggen verraad. De spelers werden op hun elementen geschoven zodat wie eerst links zat ineens rechts zat. Ik denk nu bijna aan Inez, met wie ik zojuist nog een gesprekje had over wat nu westelijk en oostelijk is, of het absoluut is of relatief. Dat ik dit opschrijf voelt als verraad, zoals eigenlijk wel deze hele serie blogs met de titel Speciaal voor mij. De voorstelling was uitgekozen door Inez, het was speciaal voor mij, en misschien had zij er niet bij nagedacht dat er een blog over zou komen.

Maar Inez kent me, misschien beter dan ik mezelf inmiddels, ik dacht nog: Anton, zen, houd je in, schrijf niet per se die blog. Maar die Qi hè, het is toch een soort locomotief.

Qi - Ruben Chi

Een glimp uit de zak - Jacqueline Klooster over Medusa

Je moet dit lezen, zei collega Ike toen ze me dit boek uitleende, morgen al. Het minste wat ik kon doen was uitstel, want ik heb moeite met ...